Juni 2026

Wie bepaalt straks wat goede kinderopvang mag kosten?

De discussie over een mogelijke DAEB-status voor de kinderopvang wordt vaak gevoerd vanuit de gedachte dat meer publieke sturing automatisch leidt tot meer zekerheid. Maar wie verder kijkt, ziet vooral nieuwe risico's ontstaan.

De kernvraag is namelijk verrassend eenvoudig: wie bepaalt straks welke kosten noodzakelijk zijn voor goede kinderopvang?

Kan ik een BSO kamp wat buiten kinderopvang tijd is maar ook voor buurtkinderen is nog wel opvoeren als kosten? Is een groter buitenterrein nodig? Zijn extra opleidingen voor medewerkers verantwoord? Mag ik zonnepanelen op het dak leggen? Of wordt dat achteraf gezien als een keuze die niet direct noodzakelijk was voor de uitvoering van de publieke taak?

Binnen een DAEB-systeem draait het uiteindelijk om dergelijke beoordelingen. En juist daar zit het probleem.

Wanneer achteraf wordt vastgesteld dat bepaalde kosten niet voldoende onder de publieke taak vallen, kan sprake zijn van overcompensatie. Dat geld moet worden terugbetaald. Ondernemers lopen daarmee financiële risico's die zij nauwelijks kunnen beheersen, omdat de beoordeling pas achteraf plaatsvindt.

Dat leidt onvermijdelijk tot terughoudendheid. Minder investeren. Minder innoveren. Minder ruimte om keuzes te maken die passen bij kinderen, ouders en medewerkers.

De discussie zou daarom niet moeten gaan over de vraag of de overheid kwaliteit mag eisen. Dat gebeurt nu ook al. De echte vraag is: willen we een kinderopvangsector die wordt gestuurd op kwaliteit voor kinderen, of op de vraag of een accountant, toezichthouder of overheid achteraf een investering voldoende noodzakelijk vindt?

Kinderopvang is geen standaardproduct. Juist de ruimte voor ondernemerschap, innovatie en eigen kwaliteitskeuzes heeft de sector gebracht waar zij nu staat.

Als de politiek meer publieke waarborgen wil, zijn daar andere instrumenten voor beschikbaar. Instrumenten die vooraf duidelijkheid bieden in plaats van achteraf financiële onzekerheid creëren.

De kinderopvang heeft behoefte aan vertrouwen, ruimte voor kwaliteit en investeringszekerheid. Niet aan een systeem waarin ondernemers jaren later kunnen worden geconfronteerd met de boodschap dat hun keuzes toch niet binnen de definitie van de publieke taak blijken te passen.

Voor BVOK schreef ik een opinieblog wat in Kinderopvangtotaal is geplaatst.


Opinie: Hangen we een aanhanger achter de BSO-bus?
 

 

Sinds 2019 vervoert de BSO-bus – de opvolger van de stint – dagelijks duizenden kinderen veilig van school naar de buitenschoolse opvang. Dit gebeurt onder een helder convenant tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de brancheorganisaties BK, BMK en BOINK. Een belangrijke afspraak uit dat convenant: de BSO-bus mag tien kinderen vervoeren. Niet negen, niet acht, maar precies tien. Precies zoveel als er pedagogisch verantwoord is volgens de Beroepskracht-Kindratio die geldt in de opvang. 

Maar nu dat convenant is verlopen, dreigt het ministerie terug te vallen op een oude norm: maximaal acht kinderen per BSO-bus. Een beslissing die op papier misschien logisch lijkt, maar in de praktijk verstrekkende en ongewenste gevolgen heeft. 

 

Meer ritten, minder tijd voor kinderen 

Als we teruggaan naar acht kinderen per rit, betekent dat simpelweg: meer ritten. Meer wachttijd voor kinderen die op school moeten blijven wachten, vaak onder toezicht van een leerkracht die daar geen tijd voor heeft. Meer belasting voor de toch al overvolle schooldagen en meer logistieke druk op kinderopvangorganisaties die vaak al tot het uiterste gaan om de planning rond te krijgen. 

 

Een personeelsprobleem wordt een kostenprobleem 

In een tijd waarin de kinderopvangsector kampt met een nijpend personeelstekort, is het niet realistisch om extra begeleiders in te zetten om die extra ritten op te vangen. En zelfs al zouden ze beschikbaar zijn, dan nog zijn er de extra kosten voor vervoer. Want voor elke extra rit is er een extra bso bus nodig of een autopersonenbus. Extra brandstof. Extra verzekering. Extra tijd. Al deze kosten moeten ergens worden opgevangen – en dat betekent uiteindelijk: een hogere rekening voor ouders. Een nieuwe ‘ophaalprijs’ bovenop het toch al stijgende uurtarief. Is dat de richting waarin we willen gaan met de kinderopvang? 

 

Meer verkeer, minder rust, lagere kwaliteit 

Alternatief vervoer, zoals auto personenbusjes, leidt bovendien tot extra verkeersdruk in woonwijken en op schoolpleinen. Een situatie die haaks staat op de wens om de verkeersveiligheid juist te verbeteren. Tegelijkertijd leidt het aanpassen van de vervoersstructuur tot pedagogische onrust. Kinderen kunnen niet meer op de BSO blijven als er andere kinderen moeten worden opgehaald. Daardoor vervalt de vertrouwde groepsstructuur, wat ten koste gaat van rust, continuïteit en kwaliteit – dé fundamenten van goede opvang. 

 

Een rationele grens zonder rationele onderbouwing 

Wat wringt in dit hele verhaal: er is geen deugelijke onderbouwing voor het beperken van het aantal kinderen naar acht. Tien kinderen in de BSO-bus was jarenlang veilig, efficiënt en werkbaar – en is dat nog steeds. De technologie is niet veranderd, de infrastructuur ook niet. Waarom dan ineens een terugtrekkende beweging maken? Waarom een norm hanteren die niet strookt met de praktijk of met het pedagogische kader? 

 

Oproep: behoud wat werkt 

Daarom doet BVOK een dringende oproep aan het ministerie: ga opnieuw in gesprek met de sector. Zoek samen naar een oplossing die past bij de realiteit op de kinderopvang én bij het belang van het kind. Want dit is niet slechts een technisch detail over aantallen. Dit is een keuze die impact heeft op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de kinderopvang in Nederland. 

En aan ouders, ondernemers en pedagogisch medewerkers: laat van je horen. Dit is het moment om duidelijk te maken dat goed werkende oplossingen niet onnodig overboord gegooid mogen worden. Geen aanhanger achter de BSO-bus – maar een doordacht en onderbouwd beleid, waarin veiligheid en werkbaarheid hand in hand gaan.